Sinterklaas snoepgoed

Speculaas

De Germanen brachten hun goden offers in de vorm van koeken. Met die koeken wilden ze laten zien hoe dankbaar ze de goden waren voor alles wat ze van hen kregen. Ze hoopten er bovendien mee te bereiken dat de goden hen goed gezind bleven. De koeken waren een afspiegeling van hun dankbaarheid en hun wensen. De Latijnse naam voor deze koeken was ‘speculatio’, ons speculaasje, naar het Latijnse woord ‘speculum,’ dat spiegel betekent. Een ‘speculator’ is bovendien iemand die alles ziet, zoals ook Sinterklaas alles ziet en alles weet.

Verliefde stellen gaven elkaar met Sinterklaas een speculaaspop, als afspiegeling van hun liefde voor elkaar. Zo’n pop heette een vrijer. Als je van iemand een speculaashart kreeg, wist je dat de gever graag met je wilde trouwen.

Een van de verhalen rond Nicolaas van Myra vertelt hoe hij ervoor zorgde dat de drie arme dochters van zijn buurman konden trouwen. Hij bezorgde hen in het geheim het geld dat nodig was voor de bruidsschat. Sint Nicolaas wordt dus niet voor niets in verband gebracht met verliefden, vrijers en harten van speculaas of suikergoed. Als we zingen: Sinterklaas Goedheiligman verwijzen we naar de Sint als huwelijksbemiddelaar. ‘Heylik’ is een oud woord voor huwelijk. Het betekent dus eigenlijk: Sinterklaas Goedhuwelijksman.

Letters

Bij ons Sinterklaasfeest horen chocoladeletters en letters van banket (bladerdeeg gevuld met amandelspijs). Die letters komen uit de middeleeuwse kloosterschool-traditie. Op kloosterscholen leerde je schrijven met losse letters van brooddeeg. Als beloning mocht je de broodletters opgegeten. Dat hielp om ze te onthouden, van letters eten werd je slim. Moeders mengden soms papieren lettertjes door de pap van hun kinderen.

In de 19e eeuw worden broodletters gebruikt om duidelijk te maken voor wie welke sinterklaascadeautjes zijn bedoeld. Alle cadeautjes zijn afgedekt met een laken en op elk laken ligt de beginletter van de naam van het kind voor wie ze zijn. Later werden de broodletters letters van banket of chocola.

Peternoten, taaitaai en marsepein

Kloosters hadden een eigen bakkerij en verbouwden hun eigen grondstoffen. Zij bakten allerlei peper- en kruidkoeken in de vorm van heiligen of dieren, die ze mooi versierden met suiker en goudkleurig glazuur. Deze versierde koeken werden aan pelgrims en andere reizigers verkocht.

De versierde peperkoeken uit de kloosters kregen een plaats in de Sinterklaastraditie. Peperkoeken, speculaaspoppen en poppen van taaitaai – met anijszaad erdoor – werden een echte 5 december-lekkernij. Van het peper- en kruidkoekdeeg werden behalve poppen ook peper- en kruidnoten gebakken. Noten en anijszaad stonden voor vruchtbaarheid en met de pepernoten en kruidnoten werd dan ook veelvuldig gestrooid.

De kloosterlingen maakten ook allerlei figuren van suiker en amandelen. Daar komen onze marsepeinen figuurtjes vandaan. Het woord ‘marsepein’ komt van ‘marzepane’, een doosje waarin men vroeger kruiden en andere heerlijk ruikende stoffen bewaarde.

Munten

De bekende zakjes met gouden en zilveren chocolademunten die we zien in de Sinterklaastijd komen van de oude legende van de arme buurman van Nicolaas van Myra en zijn drie dochters. De vader kwam uit een rijk geslacht van kooplieden, maar kon hen geen bruidsschat meegeven. Dat betekende dat de drie huwbare meisjes niet konden trouwen met iemand van hun eigen stand. Nicolaas hielp hen door ’s nachts ongezien en tot driemaal beurzen met goudstukken naar binnen te gooien. Wie een oude afbeelding van een bisschop ziet met in zijn handen drie gouden ballen, weet dat het Sint Nicolaas is. De gouden ballen symboliseren de drie beurzen met goudstukken.

Facebooktwitter