Verhalen en legendes

De drie meisjes

Er was eens een aan lager wal geraakte koopman, die drie dochters had. Doordat de vader geen bruidsschat voor hen kon betalen, konden zij niet trouwen met iemand van hun eigen stand. Erger nog: ze zouden als meisjes van plezier in hun levensonderhoud moeten voorzien. Nicolaas van Myra, die naast hen woonde, hoorde van het probleem en wierp ’s nachts tot drie maal toe in het geheim een buidel goudstukken door het openstaande raam naar binnen. De buidels belandden in de schoenen van de meisjes, die bij de haard stonden te drogen. Dankzij de hulp van Nicolaas konden de meisjes trouwen en hoefden ze niet als meisjes van lichte zeden door het leven. Nicolaas werd later de beschermheilige van de prostituees.

Het kind in het bad

Toen Nicolaas van Myra tot bisschop zou worden gewijd, luidden de klokken van de kerk, zodat alle gelovigen zich naar de mis konden haasten. Een moeder was haar kind aan het wassen toen de klokken begonnen te luiden. Het kind zat in een kuip water die op het vuur stond, want het was koud in huis en op die manier zou het water niet afkoelen. De moeder hoorde de klok luiden en haastte zich naar de inhuldiging van de nieuwe bisschop. Toen de mis net was begonnen herinnerde ze zich dat het kind nog in de kuip zat en dat de kuip nog op het vuur stond. In paniek rende ze terug naar huis. Daar aangekomen was het vuur gedoofd en het kind gezond. Nicolaas had een wonder verricht. Sint Nicolaas werd later de beschermheilige van de kinderen.

Storm op zee

Toen Nicolaas van Myra bisschop was, reisde hij eens naar Palestina om de heilige plaatsen te bezoeken. Een deel van deze bedevaartstocht ging per schip. Toen ze vertrokken was de lucht helder en de zee kalm, maar Nicolaas voorspelde de zeelui zwaar weer. Zij bereiden zichzelf en het schip daarop voor, maar de storm, die inderdaad kwam, was zo hevig dat ze al snel in levensgevaar verkeerden. Tot Nicolaas begon te bidden. Toen hield het noodweer meteen op en was het schip met zijn bemanning gered. Sint Nicolaas werd later de beschermheilige van de zeelieden.

De man op het schip

In de tijd van Nicolaas van Myra hielden de boeren rituelen onder een vanouds heilige boom. Om een eind te maken aan deze in de ogen van het Christendom heidense gewoonte liet Nicolaas de boom omhakken. De duivel was woedend. Hij mengde een olie die in water en op ruwe steen vanzelf vlam vatte. Toen nam hij de gedaante aan van een kloosterzuster en ging aan boord van een schip. Hij voer langs een schip met pelgrims die op weg waren naar bisschop Nicolaas van Myra. Hij zei: ‘Jammer dat ik niet met jullie mee kan naar de bisschop. Maar zouden jullie zo vriendelijk willen zijn de muren van zijn kerk en zijn huis namens mij met deze kostbare gewijde olie te overgieten?’ Dat beloofden de pelgrims.
Het schip met de kloosterzuster verdween en meteen daarna zagen de pelgrims weer een schip, dit keer met een hen onbekende man aan boord, die vroeg: ‘Wat heeft die zuster jullie gezegd en gegeven?’ De pelgrims vertelden het hem en hij zei: ‘Die vrouw was geen kloosterzuster, het was de duivel. Gooi die olie maar in zee, dan zullen jullie zien wat er gebeurt.’ De pelgrims leegden het flesje in zee en meteen vatten de golven vlam. Het schip met Nicolaas aan boord verdween. Pas toen de pelgrims de kerk van Nicolaas binnenkwamen, herkenden ze in hem de man van het schip.

De drie studenten

Drie jonge studenten waren eens op reis. Het was najaar, het weer was somber en grauw. De boeren maakten zich op voor de lange winter. Er werd gehooid en ingemaakt en hout gesprokkeld. Er werd vee geslacht en het vlees werd in het pekelvat gedaan, want goed gezouten vlees bederft niet.

Het was al bijna donker toen de drie jongens bij een boerderij kwamen die ook als herberg dienst deed. De boer en boerin ontvingen hen vriendelijk, wezen hen een slaapplaats en schotelden hen een maal van vers gepekeld vlees en zelf gebrouwen bier voor.

De drie jongens zeiden – zoals gewoon was in die tijd – voor ze gingen slapen hun avondgebeden en vroegen daarin aan Sint Nicolaas van Myra, beschermheilige van de reizigers, hen te beschermen. Daarna kropen ze met een gerust hart en rozig van het bier onder de wol.

De boer en boerin hadden gezien dat de drie studenten jongens van rijke komaf waren en roken geld. Ze slopen midden in de nacht naar de zolder waar de drie lagen te slapen, hakten hen de hoofden af en gingen op zoek naar hun geld. De goudstukken zie ze vonden, verstopten ze op de bodem van een pekelvat. Maar wat te doen met de lichamen van de drie onthoofde jongens? Ervaren slagers als de boer en boerin waren, lag hun vlees nog voor het ochtendgloren tussen het andere vlees in hetzelfde pekelvat.

De ouders van de jonge studenten werden natuurlijk ongerust toen hun kinderen niet terugkwamen van hun reis, maar hoe ze ook zochten, ze vonden ze niet.

De winter was mild en het voorjaar brak aan. Op de boerderij was vlees genoeg en wat over was kon bewaard worden. Een jaar na de verdwijning van de drie jongens kregen de boer en boerin bezoek van een man op een wit paard. Hij was gekleed als een bisschop en vroeg om onderkomen voor de nacht. De boer wees de hoge gast een slaapplaats en de boerin beloofde een flink stuk vlees voor hem klaar te maken. Daar zei de bisschop geen nee tegen. Hij was een echte fijnproever. Zodra de boerin de deksel van het pekelvat had opgetild snoof hij de geur van het vlees op en vroeg: ‘Wat hebt u daar voor vlees in de kuip?’ ‘Varkensvlees, bisschop,’ antwoordde de boerin. ‘Varkensvlees ruikt anders,’ antwoordde de bisschop. ‘U denkt toch niet dat wij u vlees van mindere kwaliteit voorzetten dan varkensvlees?’ zei de boerin verontwaardigd. ‘Integendeel,’ antwoordde de bisschop. ‘Mag ik eens zien wat er in dat vat zit?’

Zenuwachtig lichtte de boerin de deksel van het vat. ‘Het is varkensvlees, echt waar,’ probeerde de boer nog, maar de bisschop liet zich niet voor de gek houden. ‘Hoe kan het dan,’ vroeg hij ernstig, ‘dat er al een jaar lang vanuit dit vat gebeden naar mij opstijgen van drie jongens die voor het laatst gezien zijn in de buurt van uw boerderij en van wie nu elk spoor ontbreekt?’ Op die vraag hadden de boer en boerin geen antwoord.

De bisschop keek in het vat en riep: ‘Sta op en kom tot leven, jongens! Ik ben de Heilige Nicolaas en ik heb jullie gebeden gehoord.’

Tot ontsteltenis van de boer en boerin begon de inhoud van het vat te borrelen en kwamen de drie jongens levend en wel uit de pekel tevoorschijn. Ze wezen de boer en boerin als hun moordenaars aan en om hun woorden kracht bij te zetten, doken ze naar de bodem van het pekelvat. Toen ze weer boven kwamen hadden ze hun handen vol goudstukken.

De boer en zijn vrouw vielen voor de bisschop op hun knieën en smeekten hem om genade. Zij beloofden hem dat ze hun leven zouden beteren en dat ze elk jaar een kuip gepekeld vlees zouden schenken aan de arme studenten van de nabijgelegen stad. ‘Dat is goed,’ antwoordde de bisschop. ‘Geef ons dan nu maar iets te eten, en vergeet daarbij mijn paard niet.’

De boer zette het witte paard van de Heilige Nicolaas op stal en voorzag het edele dier ruim van water, hooi en wortels. De boerin maakte een grote schotel varkensvlees klaar, waarvan ze die avond met zijn zessen aten. Sint Nicolaas werd later de beschermheilige van de studenten.

Facebooktwitter